Lopende vragen betreffende de uitleg van rechtsregels
De volgende prejudiciële vragen liggen momenteel voor aan het Benelux-Gerechtshof:
1. Hof van Beroep van Antwerpen
“Moet artikel 1 derde lid van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de Dwangsom aldus worden uitgelegd dat de voorafgaande betekeningsvereiste enkel van toepassing is op dwangsommen die door hoven en rechtbanken die tot de rechterlijke macht behoren, werden opgelegd dan wel of deze ook van toepassing is op bestuurlijke dwqngsommen in de zin van art. 16.4.10 van het Decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid die door de bij toepassing van art. 16.4.6. van voornoemd Decreet bevoegde overheidsinstanties (burgemeester de provinciegouverneur de niet-gewestelijke of gewestelijke toezichthouders voor aangelegenheden die tot hun administratieve bevoegdheid behoren) worden opgelegd ?”
2. Hof van Beroep Antwerpen
“1/ Beantwoordt de betekeningswijze voorzien bij art. 18 van de Betekeningsverordening 2020/1784 aan de vereiste van betekening in de zin van art. 1 lid 3 van de Eenvormige wet betreffende de dwangsom, in de mate dat de betekening plaatsvindt door postdiensten en niet via gerechtsdeurwaarder en dat in geval van niet-ontvangst op het ogenblik van het aanbieden ervan door de postdiensten, de aangetekende zending niet achtergelaten wordt op de woonplaats maar naar een afhaalpunt gebracht wordt waarna deze na verloop van een termijn van 14 dagen automatisch teruggestuurd wordt naar de afzender indien de zending niet afgehaald werd op het afhaalpunt.
Voor zover het antwoord op de eerste vraag positief is:
2/ Is bij de toepassing van art. 18 Betekeningsverordening al dan niet vereist dat de dwangsomschuldenaar de aangetekende zending effectief in ontvangst heeft kunnen nemen (ofwel door ondertekening van het ontvangstbewijs, ofwel door weigering tot in ontvangstneming door melding op het ontvangstbewijs ofwel door afhaling op het afhaalpunt) of volstaat het dat de aangetekende zending op het vermelde adres aangeboden werd zonder dat dit kon worden overhandigd aan de geadresseerde? In dat laatste geval, stelt zich de vraag of niet in het kader van de toepassing van art. 1, 3de lid van de
Eenvormige wet betreffende de dwangsom dient te worden verduidelijkt welke datum als datum van betekening dient beschouwd te worden (datum van verzending van het exploot door de afzender of de datum van het vruchteloos aanbieden van de zending aan de geadresseerde dan wel de datum van het terugsturen van de zending door de postdiensten naar de afzender)?
3/ Kan er sprake zijn van een rechtsgeldige betekening in de zin van art. 1, 3de lid van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom wanneer de dwangsomschuldeiser op het ogenblik van de betekening wist dat de dwangsomschuldenaar zich in de onmogelijkheid bevond om de aangetekende zending in de zin van art. 18 van de Betekeningsverordening 2020/1784 in ontvangst te nemen en deze niet in een tijdspanne van 14 dagen zou worden opgehaald maar zou worden teruggestuurd naar de afzender zodat de geadresseerde er geen kennis zou van nemen?”